|
Het nieuwe artikel 44, § 1, 1° van het BTW-wetboek,
dat in voege trad op 1 januari 2012, heeft bepaald
dat prestaties van gerechtsdeurwaarders thans
ressorteren onder de BTW-regelgeving.
De gerechtsdeurwaarder dient
naast zijn ereloon alle door hem gemaakte
kosten op te nemen die hij doorrekent aan de klant
met inbegrip van de belastingen en de heffingen
waarvan hij de schuldenaar is en die van hem
gevorderd worden.
Overeenkomstig art. 53, § 2 van het
BTW-wetboek is de belastingplichtige ertoe gehouden
een factuur uit te reiken aan zijn medecontractant –
in casu de verzoeker en dus niet de advocaat en
zeker niet de verweerder - wanneer hij een levering
van goederen of een dienst heeft verricht voor een
belastingplichtige of een niet belastingplichtige
rechtspersoon. De administratie heeft voorzien in
een overgangsperiode.
Facturen kunnen, ingevolge de toegekende
tolerantieperiode, pas worden uitgereikt vanaf 1 mei
2012 ten name van de BTW-plichtige verzoeker.
Wij willen wel benadrukken dat de invoering van de
geactiveerde BTW-verplichting geen enkele impact
heeft op de solidaire gehoudendheid van de advocaten
tot betaling van de kosten.
Indien u om rechtstreekse facturatie aan uw cliënt
verzoekt, gaan wij er wel van uit dat u de betaling
opvolgt en bij gebreke daaraan zelf hiervoor
instaat. Mocht u hiervoor niet willen instaan zal u
ons dit wel voorafgaandelijk meedelen zodat wij ons
kunnen laten provisioneren.
Vanzelfsprekend blijven de ereloonstaten
onmiddellijk betaalbaar.
Wij houden deze materie nauwlettend in het oog
en wijzigingen in verband met deze problematiek kan
u steeds hier terugvinden.
|